|
fractie . VL+
@VL+, nr. 24
Taalbereidheidscriterium bij de toewijzing van een sociale woning blijft gehandhaafd !
De verplichting dat kandidaat-huurders van een sociale woning moeten bereid zijn Nederlands te leren, blijft gehandhaafd maar het moet voor de kandidaat-huurders wel zo makkelijk mogelijk worden hun kennis van het Nederlands te bewijzen. Dat hebben de Vlaamse ministers van Wonen Marino Keulen (Open Vld) en Cultuur Bert Anciaux (Spirit) woensdag verklaard in het Vlaams parlement op een actuele vraag van Vlaams Volksvertegenwoordiger Wim Van Dijck. Deze had vooral Minister Anciaux in het vizier en wilde van de minister vernemen in hoeverre hij Spirit-parlementslid Dirk De Cock steunde. Deze laatste had een afschaffing van het taalbereidheidscriterium voor kandidaat-huurders, zoals voorzien in de Vlaamse Wooncode, bepleit omwille van een aantal minder klantvriendelijke gevolgen zoals het bewijzen van de kennis van het Nederlands voor ongeschoolde Nederlandstaligen. De bevoegde Open Vld-minister Marino Keulen wil het bewijzen van de kennis Nederlands zo laagdrempelig mogelijk maken.
De uitvoering van het Veiligheidsplan van De Lijn : een processie van Echternach met zware gevolgen !
Vlaams Volksvertegenwoordiger Jan Penris ondervroeg eens te meer de bevoegde Minister Van Brempt (vervangen door Minister Vandenbroucke) over de al te trage uitvoering van het Veiligheidsplan van De Lijn, dit naar aanleiding van het zoveelste incident in Antwerpen. Maandag werd daar op risicolijn 14 een vrouwelijke buschauffeur in elkaar geslagen met zeven dagen werkonbekwaamheid tot gevolg. Hierna volgde eens te meer een spontane 24 urenstaking van het personeel van de stelplaats Zurenborg.
Naar aanleiding van de moord op Guido Demoor had de Vlaamse Regering in juli 2006 een aantal maatregelen (een Veiligheidsplan) aangekondigd om de veiligheid op het openbaar vervoer in het algemeen en in Antwerpen in het bijzonder te verhogen. Die maatregelen omvatten onder meer het installeren van camera's, in het bijzonder op de risicolijnen, en het aanwerven van bijkomend veiligheidspersoneel. Vlaams Volksvertegenwoordiger Jan Penris stelde zowel in 2006 als in 2007 verschillende vragen over de uitvoering van het plan : “Ik heb toen steeds begrip voor de door haar aangehaalde argumenten getoond. Ze heeft toen verklaard dat de plannen zouden worden uitgevoerd, dat de complexiteit van het dossier tot achterstanden had geleid, dat er budgettaire problemen waren en dat het om een bijzonder moeilijk Europees aanbestedingsdossier ging. Vandaag is mijn geduld en het geduld van de werknemers van De Lijn op. Vandaag wil ik horen hoe het zit met de goede voornemens die minister Van Brempt in juli 2006 heeft verkondigd. Hoe staat het met de maatregelen die zouden worden genomen om de veiligheid op De Lijn te verhogen?”. Minister Vandenbroucke die Minister Van Brempt verving antwoordde dat de Raad van Bestuur van de Lijn op 19 december 2007 de opdracht voor de plaatsing van de resterende 720 camera’s heeft toegewezen en dat deze tegen juni 2008 zullen geïnstalleerd zijn. Er werden volgens de minister ook al 65 bijkomende controleurs aangeworven en in februari 2008 zouden er nog 17 controleurs aan hun opleiding tot veiligheidsagent beginnen en halfweg 2008 op het terrein operationeel zijn. De minister vond het vervolgens echter nodig om wat hout op het vuur te werpen en verklaarde over de agressiegebonden ongevallen : “Als men naar 2007 kijkt, liggen de cijfers niet hoger dan in 2006. Het aantal agressiegebonden arbeidsongevallen, 99 in 2006, 96 in 2007, wijzen eigenlijk op een stabilisatie. Als je weet dat het aantal kilometers dat door De Lijn wordt afgelegd, zeer aanzienlijk toeneemt, en het aantal chauffeurs en passagiers eveneens zeer aanzienlijk toeneemt, kan men stellen dat we als samenleving met de maatschappij De Lijn de agressie in 2007 nog in de hand hebben gehouden”. Jan Penris vond deze reactie totaal ongepast en verwees, naast de betreurenswaardige afwikkeling van de zaak Demoor, naar het weggestemde Vlaams Belang-voorstel rond zerotolerantie : “U begint met de incidenten te minimaliseren in functie van het aantal kilometers dat werd afgelegd en het aantal reizigers dat werd vervoerd en zegt dat het al bij al nogal meevalt. Elk incident is er een te veel. Ik denk dat we onze kop niet in het zand moeten steken. Ten aanzien van misdrijven gepleegd op het openbaar vervoer moeten wij als verantwoordelijke politici een nultolerantiebeleid hanteren. Vanmorgen en gisteren hebben we er in de commissie Openbare Werken over gedebatteerd. We hebben een voorstel ingediend om een zerotolerantiebeleid in te voeren. Uw meerderheid heeft gemeend dat voorstel te moeten afschieten, natuurlijk omdat het van ons kwam en om geen enkele andere reden. En voorts bestaat er in dit land de scheiding der machten. Ik ben ook blij dat ik in een rechtsstaat leef waar de scheiding der machten bestaat. De rechterlijke macht mag wel eens een lesje krijgen. Als zij met incidenten, met misdrijven, met moord te maken krijgen - ik spreek hier over de zaak Demoor - moet de rechterlijke macht toch eens beseffen dat ze met haar uitspraken een bijzonder zware maatschappelijke verantwoordelijkheid begint te dragen. Zowel de rechters die het vonnis hebben geveld als de raadsheren die uiteindelijk dat vonnis hebben verzwaard, dragen hierin een verpletterende verantwoordelijkheid, want op de duur krijgen sommige gebruikers van de openbaar vervoer de indruk dat alles kan en alles mag.
Ik richt me nu niet langer tot u als vervanger van de minister van Openbaar Vervoer, maar tot u als minister van Onderwijs. We vervullen hier toch een heel belangrijke maatschappelijke opdracht. U schrijft eindtermen in alle richtingen. Zou het niet nuttig en wenselijk zijn om onze jongeren op te voeden, in die zin dat als ze gebruik maken van het openbaar vervoer en alle andere faciliteiten die wij hun ter beschikking stellen, ze ook respect opbrengen voor degenen die gebruik maken van die faciliteiten en die dat openbaar vervoer mee dragen. Ik denk dan aan onze chauffeurs, onze 'wattmannen' en onze 'wattvrouwen'. “.
Onenigheid binnen de Vlaamse Regering over de levering van (militair) materieel van een Vlaams bedrijf aan het fundamentalistische Saoedi-Arabië !
Vlaams Volksvertegenwoordiger Roland Van Goethem was één van de interpellanten tijdens het debat over de levering van (militair) materieel van een Vlaams bedrijf aan Saoedi-Arabië via het Verenigd Koninkrijk. De firma Mol uit Hooglede kreeg vorig jaar van de Britse firma BAE Landsystems een bestelling voor materieel dat gebruikt wordt voor pantsers. Het materieel zou door de Britten doorgevoerd worden naar de nationale garde van Saoedi-Arabië. Voormalig minister van Economie Fientje Moerman hield naar verluidt eerder al een gelijkaardige aanvraag tegen, onder meer omdat Saoedi-Arabië de mensenrechten niet zou respecteren. Nu zette de nieuwe minister Patricia Ceysens het licht wel op groen hebben gezet voor een dossier ter waarde van 56 miljoen euro.
Roland Van Goethem ging als enige in op het fundamentalistisch karakter van het regime van Saoedie-Arabië : “Het Saoedische juridische systeem is gebaseerd op de sharia. De islam is er de officiële godsdienst, zeg maar de staatsgodsdienst. Andere godsdiensten worden niet erkend. De vrijheid van godsdienst is er onbestaande. Om de sharia af te dwingen, handhaaft de Saoedische overheid een terreurregime, waarin de Saoedische religieuze politie, de muttawa, een essentiële rol speelt. (…) De toenmalige weigering van minister Moerman was dan ook volledig verantwoord: aan een dergelijk fundamentalistisch islamitisch land leveren we geen wapens. “ Roland Van Goethem beklemtoonde verder dat hij het onbegrijpelijk vond dat de Vlaamse Regering en Minister Ceysens in het bijzonder zich wegstopte achter de administratieve afhandelingsprocedure van de vergunningsvraag. Ceysens zei ook da de levering aan het Verenigd Koninkrijk vergezeld was van een geldig internationaal invoercertificaat (ICC) en dat zij niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de levering aan de eindgebruiker, in dit geval Saoedi-Arabië. Ceyens onderstreepte dat zij via haar administratie de uitvoeraanvraag naar het Verenigd Koninkrijk diende te toetsen, maar niet een uitvoeraanvraag naar Saoedi-Arabië ! De minister vond ook dat het dossier niet te vergelijken was met het vroegere dossier (onder minister Moerman) omdat dit toen een rechtstreeks levering van granaten aan Saoedi-Arabië betrof.
Voor Roland Van Goethem is het in ieder geval duidelijk dat dit dossier nogmaals de zwakte bloot legt van het Vlaamse beleid op het gebied van wapenexport.: “ Als er in de pers over struisvogelpolitiek gesproken wordt, is dat niet onterecht. Sinds 2003 is wapenhandel een Vlaamse bevoegdheid. Vijf jaar na datum is er echter nog steeds geen decretale basis voor dat beleid. Die onwil heeft als enig resultaat dat er in een schemerzone geopereerd wordt en dat de Vlaamse defensiebedrijven al vijf jaar het slachtoffer zijn van een ver doorgedreven vorm van rechtsonzekerheid. Het huidige beleid, met als enige houvast de richtlijn-Van den Brande en de oude Belgische wetgeving, staat open voor elke vorm van willekeur, zoals mag blijken uit het incident dat we nu meemaken. Van de ene minister mag het wel, van de andere niet. Waar moet het Vlaamse bedrijfsleven zich aan houden? De fameuze catch-allformule versterkt de rechtsonzekerheid voor de Vlaamse bedrijven en het ontbreken van een Vlaams decreet dat de wapenhandel regelt, ontneemt hen elke rechtsbasis. Blijkbaar ontbreken hier ook de vijf minuten politieke moed om een ontwerp van decreet aan het parlement voor te leggen. Het beleid beperkt zich tot het voorkomen van politieke incidenten, wat in dit geval niet echt gelukt is. Het Vlaams bedrijfsleven mag verwachten dat dit incident het laatste in de rij was dat gerelateerd is aan de wapenexportvergunningen.(…)”.
Vlamingen doen hun best, Walen en Brusselaars doen het rustig aan !
Het Evaluatierapport dat het Departement internationaal Vlaanderen opmaakte over de overeenkomst die in 2005 werd afgesloten tussen de gewestelijke agentschappen die zich bezighouden met het internationaal ondernemen, roept heel wat vragen op. Die overeenkomst stipuleert dat in een aantal specifieke posten van de gewesten in het buitenland, ook dossiers van bedrijven uit de andere gewesten behandeld worden en dit op dezelfde wijze als de dossiers van bedrijven uit het eigen gewest.
Uit de evaluatie blijkt evenwel dat 40% van de Vlaamse ondernemingen die een beroep hebben gedaan op het buitenlandse netwerk van AWEX of Brussel Export de kwaliteit van de verleende diensten minder hoog inschatten als de diensten van het Vlaams Agentschap. Bovendien toonde 17% van Vlaamse bedrijven zich ronduit ontevreden over de termijnen waarbinnen de vragen werden beantwoord door de vertegenwoordigers van Awex of Brussel Export. En er is meer. De Vlaamse kantoren ontvingen 938 vragen van Waalse en Brusselse bedrijven, maar de vertegenwoordigers van Awex en Brussel Export ontvingen slechts 636 dossiers van Vlaamse bedrijven. Van de 636 dossiers die door Vlaamse bedrijven werden overgemaakt, behandelden Awex of Export Brussel er uiteindelijk slechts 279, of ongeveer de helft. Het Vlaams Agentschap daarentegen behandelde 90% van de 938 Waalse of Brusselse dossiers die binnenkwamen. Dat resulteert voor 2006 per saldo in een netto dienstverlening van het VLAO aan Waalse en Brusselse bedrijven van 566 ontvangen dossiers.
De Vlamingen doen dus weer eens hun best terwijl de Walen en Brusselaars het rustig aan doen. Vlaams Volksvertegenwoordiger Luk Van Nieuwenhuysen noemde die verhoudingen in een interpellatie t.o.v. Minister Ceysens onaanvaardbaar.
Jan Penris en Filip Dewinter nemen initiatieven om de veiligheid op het openbaar vervoer te verbeteren !
Geregeld zijn het personeel en de reizigers van de openbare vervoersmaatschappijen het slachtoffer van gewelddaden. Dit terwijl de Vlaamse Regering aanzienlijk investeert in het openbaar vervoer om meer reizigers aan te trekken. Wanneer het openbaar vervoer echter niet veilig is, is het ook niet aantrekkelijk aldus Jan Penris en Filip Dewinter.
De twee Vlaamse Parlementsleden zijn dan ook van oordeel dat er extra inspanningen moeten worden gedaan qua veiligheid op bussen, trams en treinen. Op het terrein blijkt echter dat de hogere overheden en het gerecht de veiligheid op het openbaar vervoer niet ernstig nemen. Hierdoor stapelen de incidenten zich maar op. Daarom dienden zij in de commissie Openbare Werken, Mobiliteit en Energie een voorstel van resolutie in waarin zij de Vlaamse Regering vroegen om er bij de federale regering op aan te dringen de strafwet zo aan te passen dat misdrijven gepleegd op het openbaar vervoer, zijn haltes of stations zwaarder worden bestraft. Verder vroegen zij de Vlaamse Regering om er bij De Lijn op aan te dringen zich bij veiligheidsincidenten burgerlijke partij te stellen en een strenger stelsel van administratieve sancties uit te werken. Een samenleving die zwaar investeert in haar openbaar vervoer, mag immers ook eisen dat het openbaar vervoer veilig kan verlopen, aldus beide Vlaamse volksvertegenwoordigers.
De bochten waarin de zogenaamde democratische partijen zich wrongen om de resolutie niet te hoeven te steunen spraken boekdelen. Zo werd geponeerd dat agressie een maatschappelijk fenomeen is dat overal meer en meer voorkomt in de samenleving en dat dit niet zou kunnen worden opgelost met zwaardere straffen. Sommigen gingen zelfs een stap verder en uitten de vrees dat indien agressie op het openbaar vervoer zwaarder zou worden bestraft het zich zou verplaatsen naar andere plaatsen in de samenleving. De onverschilligheid van de meerderheidspartijen voor de veiligheid van de burger is hiermee nogmaals aangetoond.
|